Rijpsburg

78° 23' N - 14° 39.5' E

Op expeditie
   
Kolen waren voor de eerste wereldoorlog vrijwel de enige energiebron voor de Nederlandse industrie. Limburgse kolen werden als inferieur beschouwd en kolen van hogere kwaliteit werden simpelweg geïmporteerd. Gedurende de eerste wereldoorlog was de import voor een deel afgesneden en de industrie moest wel overschakelen op Limburgse kolen. Na de wapenstilstand en in 1919 en 1920 kwam de aanvoer van buitenlandse kolen weliswaar weer op gang maar de prijs was flink gestegen. Scheepsruimte werd namelijk lucratief ingezet voor repatriëring van de Geallieerde legers en hun materieel. Dit bracht Van der Eb en Dresselhuys’ Scheepvaartmaatschappij uit Rotterdam op het idee om in het avontuur van steenkoolwinning op Spitsbergen te stappen.  Spitsbergen was (en is) een niemandsland en eenieder mocht het land exploiteren. Echter, gebieden met goede kolenlagen waren reeds geclaimd. Dresselhuys kreeg toegang tot bepaalde claims door begin 1920 een belang van 50% in het Noorse A/S Isefjord Kulcompagniet te nemen. In allerijl werd een expeditie opgezet met als doel de verworven claimgebieden te bekijken en ervaring op te doen met arctische mijnbouw. De s.s. Mont Cenis werd aangepast voor het vervoer van 52 Duitse mijnwerkers en 15 Nederlandse stafleden. De mijnwerkers konden diezelfde zomer aan het werk om op kleine schaal kolen te winnen. De opbrengst zou naar verwachting de kosten van de expeditie bestrijden. Een van de expeditieleden was hoofdbouwkundige Dirk Koning. Hij was op verlof uit Nederlands Indië en hield een dagboek bij. Ook ging er een journalist van de Maasbode en NRC mee zodat elke week een verslag over de expeditie in de krant stond. Door voornamelijk de krantenartikelen en de notities in het dagboek is een vrij gedetailleerd beeld van dit avontuur te krijgen.  
Op 5 juni 1920 vertrok het schip uit Rotterdam naar Christiania (Oslo). Daar werd o.a. houtwerk voor 6 barakken, kipkarren, hout voor een steiger en draagbaar spoor ingeladen. Ook kisten met springstof en 8000 zinken platen voor het afbakenen van de claimgebieden werden aan boord genomen. Op 24 juni lag het schip voor Kaap Boheman, in het Noors Bohemanflya. Ze troffen een verlaten, door Zachariassen gebouwde hut aan. Hij had 20 jaar eerder op die plek, voor het eerst op Spitsbergen, op commerciële basis kolen gedolven. Moeilijk was dat niet: de kolen lagen onder een steenlaag van enkele meters.

 

De nederzetting

Spoedig werd een aanvang gemaakt met het plaatsen van twee geprefabriceerde hutten. Deze waren voor de mijnwerkers en het barkaspersoneel. De stafleden overnachtten in 3 comfortabele en verwarmde tenten. Kolen waren er immers genoeg. Later die zomer kwamen 2 stafhutten, een magazijn en een hut voor 12 man gereed. Het begon op een echte nederzetting te lijken. Het paadje tussen de hutten droeg de naam van de hoofdbouwkundige; Dirk Koningstraat.  
De hoeveelheid gedolven kolen lag boven verwachting. In de heuvel naast de nederzetting werden ondergrondse gangen gegraven waarin kleine wagentjes op rails schommelden om de gewonnen brandstof af te voeren. In het algemeen werden jongens gebruikt om de kolen te vervoeren terwijl de ouderen de kolen weghakten. Op deze wijze werd zo’n 3.500 ton steenkool gedolven.

   
Rijpsburg

De nederzetting kreeg geregeld bezoek, waaronder van twee Engelse geologen. Zij bezochten de mijnen en na gebruik van het middagmaal, een glas rode wijn en een kop koffie met likeur zeiden ze: You are quite a centrum of civilisation here. Een heel compliment voor de ambitieuze Hollanders. Op 31 augustus werd Koninginnedag gevierd. De heer Meertens, leider van de expeditie, verzond een telegram naar Koningin Wilhelmina met de woorden:,,De meest noordelijke Hollandsche nederzetting wenscht Uwe majesteit eerbiedig geluk.'' Die dag werd ook een piramide van steenblokken onthuld waaruit een vlaggenstok stak. Het rood, wit en blauw wapperde vrolijk. Meertens hield een korte toespraak waarna hij een bord plaatste ter herinnering aan de expeditie. Tevens werd voor het eerst de naam Rijpsburg voor deze nederzetting gebruikt ter herinnering aan Jan Cornelisz Rijp, de schipper van een der twee schepen die in 1596 Spitsbergen ontdekte. De expeditieleden keerden in september naar Nederland terug op elf Duitse mijnwerkers en Van Ollefen na. Zij bleven die winter achter om de nederzetting en de mijn te bewaken. Van Ollefen was daarmee de eerste Nederlandse overwinteraar op Spitsbergen na de mislukte overwintering in het walvisvaartstation Smeerenburg in 1634.

 

En verder?

De ondiepten voor de kust van Rijpsburg vormden een groot obstakel en mede daarom werd een andere mijn aangekocht. De kolenprijs daalde eind 1921 sterk en trok niet meer aan waardoor de nieuwe mijn, in 1924 Barentsburg genoemd, wel uitgebouwd maar niet in exploitatie werd genomen. In 1932 werden alle claims aan een Russisch bedrijf verkocht waarmee het arctisch avontuur weinig fortuinlijk eindigde.  
Barentsburg is nog steeds in bedrijf, Rijpsburg is geheel verlaten. Wel zijn er nog restanten van de mijnbouwactiviteiten te zien in de vorm van achtergelaten steenkool, ingezakte mijngangen, funderingen en de hut uit 1900. Het meest in het oog springend is wel de 2 meter hoge piramide ter ere van Wilhelmina; een eenzaam maar wel het meest noordelijke monument voor ons koningshuis ter wereld.

 

 

Text: Jack Kauw

Jack Kauw studeerde in 1996 af aan de faculteit Scheikunde van de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt nu als docent Scheikunde. Tijdens zomervakanties werden vele noordelijke landen bezocht, maar Spitsbergen beviel het best. In het voormalige Nederlandse Barentsburg ontstond de interesse om dit stukje vaderlandse geschiedenis te bestuderen. Een bezoek aan het verlaten Rijpsburg volgde een jaar later. De bevindingen daarvan zijn gepresenteerd op het Arctisch Weekend 2005.

eXTReMe Tracker